Terug naar Cursus

Examen Sportvoeding

0% Compleet
0/0 Stappen
Quiz 1 van 0

Examen Sportvoeding

1.Sportvoeding is een voedingspatroon waarbij rekening gehouden wordt met de invloed van specifieke voedingsmiddelen op:

a. Het doel van de sporter

b. De leeftijd van de sporter

2. Is sportvoeding per definitie gezond?

a. ja

b. nee

3. In welk voedingsmiddel vinden we veel omega 3 vetzuren?

a. soja

b. vette vis

4. Van welk dier moesten hoog en verspringers in de Griekse Oudheid vooral het vlees eten om hun prestaties te verbeteren?

a. vlees van de steenbok

b. paardenvlees

5. Welke sporters waren echte pioniers op het gebied van sportvoeding?

a. bodybuilders

b. voetballers

6. Wat is een belangrijke functie van spieren?

a. stabiliteit

b. vetopslag

7.Welke 3 soorten spierweefsel zijn er?

a.  glad, skelet, hartspier

b. glad, aanhechting, hartspier

8. Welk spierweefsel is onvermoeibaar?

a. hartspierweefsel

b. beenspierweefsel

9. Welk type vezel hebben duursporters vooral?

a. type 1

b. type 2

10. Wat is een goed voorbeeld van een isometrische oefening?

a. squatten

b. planking

11. Wat is uitgestelde spierpijn?

a. spierpijn die 24 tot 48 uur na de inspanning ontstaat

b.  spierpijn die door een cooling down voorkomen kan worden

12. Welke lichaamstype is kort, gedrongen en heeft een neiging tot overgewicht?

a. ectomorf

b. endomorf

13. Wat is Ayurveda?

a. eeuwenoude Indiaanse leef – en geneeswijze

b. een vorm van yoga

14. Welke soort sport past bij een Pitta type?

a. explosieve sporten

b. duursporten

15. Wat is de directe energiebron voor onze spieren?

a. ADP

b. ATP

16. Welke stof zorgt voor spiervermoeidheid en het uiteindelijk moeten staken van een maximale inspanning?

a. melkzuur

b. glycogeen

17. Welk macronutriënt levert de meeste energie?

a. koolhydraten

b. vetten

18. Welke spierenergiesystemen spreken we aan bij de middellange afstand in de atletiek (800 – 1500m)?

a. ATP – CP systeem

b. anaerobe / glycolyse stelsel

19. Waar begint de spijsvertering?

a. in de mond

b.  in de maag

20. Wat doen enzymen?

a. het zijn reactieversnellers

b. ze regelen de bloeddruk

21. Welk enzym komt in de maag voor?

a. protease

b. pepsine

22. Waar vindt opname van verteerd voedsel plaats?

a. in de dunne darm.

b. in de maag

23.Welke rol spelen goede bacteriën mede in de spijsvertering?

a. zorgen voor darmperistaltiek

b. aanmaak vitamine K

24. Wat is mede een functie van de dikke darm?

a. verteringsproces van eiwitten (rotting) en van koolhydraten (gisting)

b. opname van verteerde voedingsstoffen in het lichaam

25. Hoe kan een sporter flatulentie voorkomen tijdens het sporten?

a. het mijden van bepaalde voedingsmiddelen 48 uur voor het sporten

b. de laatste maaltijd voor het sporten 2 uur van te voren eten

26. Is het combineren van eiwithoudend voedsel en zetmeelhoudend voedsel in één maaltijd een goede keus?

a. ja

b. nee

27. Wat is het effect van een toetje direct na de maaltijd?

a. verstoring van de spijsvertering

b. bevordert de spijsvertering

28. Wat zijn de 4 macronutriënten van onze voeding?

a. eiwitten, koolhydraten, vetten en vocht

b. eiwitten, koolhydraten, vetten en vezels

29. Welke voor de mens onverteerbaar voedsel zijn van belang voor de spijsvertering?

a. pitten

b. vezels

30. Zijn simpele koolhydraat soorten geschikt voor duursporters?

a. ja

b. nee

31. Hoe worden opgenomen suikers als eerste in het lichaam opgeslagen?

a. als vetten

b. als glycogeen

32. Wat is de glycemische index?

a. GI meet hoeveel een koolhydraat houdend voedingsmiddel het bloedsuikerniveau laat stijgen of hoe snel koolhydraten worden omgezet in suiker

b. een lijst van voedingsmiddelen die niet geschikt zijn voor diabetici

33. Een wit stokbrood heeft toch niet dezelfde glycemische index als een pistoletje. Welk begrip houdt ook rekening met de portiegrootte?

a.glycemische matrix

b.glycemische lading

34. Welk voedingsmiddel heeft de hoogste glycemische index?

a. druivensuiker

b. fructose

35. Waar zijn eiwitten uit opgebouwd?

a. enzymen

b. aminozuren

36. Hoeveel gram eiwit kan er per maaltijd maximaal opgenomen worden?

a. 30 gram

b. 100 gram

37. Kan eiwit ook als brandstof dienen?

a. ja

b. nee

38. Wat zijn niet – essentiële aminozuren?

a. deze moeten in de voeding zitten

b. deze kan het lichaam zelf maken

39. Welke eiwitpreparaat heeft de hoogste biologische waarde?

a. wei eiwit

b. soja eiwit

40. Wat is een plantaardige bron van eiwitten die ook veel B – vitaminen bevat?

a. soja

b. rijst

41. Hoeveel gram eiwit per kilo lichaamsgewicht heeft een duursporter nodig?

a. 0,5 – 1.0 gram

b. 1.5 – 2.0 gram

42. Waar wordt een teveel aan eiwit in omgezet?

a. glucose

b. cholesterol

43. Wat is een functie van vet in het lichaam?

a. bloeddruk reguleren

b. de inwendige organen beschermen

44. Wat is een bron van omega 9 vetzuren?

a. olijfolie

b. visolie

45. Welke vetzuren zijn aan te raden bij sporters met een ontsteking?

a. omega 3

b. omega 6

46. Welke vetten zijn vast bij kamertemperatuur?

a. verzadigde vetten

b. onverzadigde vetten

47. Wat is een voorbeeld van een medium chain triglyceride?

a. transvet

b. kokosolie

48. Wat zijn de effecten van CLA?

a. vetverbranding en opbouwen vetvrije spiermassa

b. spiergroei en herstel

49. Welk onverzadigd vet is juist slecht voor de gezondheid?

a. linolzuur

b. transvet

50. Het grootste deel van onze spieren bestaat uit?

a. spiervezels

b.water

51. Als de urine van een sporter donkergeel tot oranje kleurt wijst dit op?

a.  te weinig vochtopname

b.  teveel eiwitten in de voeding

52. Welk sportdrank kan het best tijdens het sporten gedronken worden?

a.  isotoon

bhypertoon

53. Wat is een pescotariër?

a. een pescotariër eet geen vis

b. een pescotariër eet wel vis maar geen vlees

54. Sommige voedingssupplementen bevatten gelatine voor wie zijn deze niet geschikt?

a. kinderen

b. vegetariërs en veganisten

55. Welke vitamine komen vegetariërs en veganisten over het algemeen tekort?

a. vitamine B12

b.  vitamine C

56. Wat betekent biologische beschikbaarheid van eiwitten?

a. de mate waarin een eiwit opgenomen kan worden

b. de hoeveelheid eiwit die in de dagelijkse voeding aanwezig dient te zijn

57. Wat is een eigenschap van een zogenaamde vrije radicaal?

a. wil zich stabiliseren ten koste van lichaamsweefsel

b. wil zich binden aan een anti oxidant

58. Wat is onder meer de oorzaak van de verminderde hoeveelheid mineralen in onze voeding?

a. neerslag bevat minder mineralen van vroeger

b. industriële landbouw en het gebruik van kunstmest

59. Wat is een functie van vitaminen?

a. ze zijn betrokken bij processen zoals omzetten van voedsel naar energie

b. ze werken als reactieversneller

60. Zijn vitaminen brandstof voor het lichaam?

a. ja

b. nee

61. Welke vitaminen zijn vet oplosbaar?

a. A, D, E, K

b. B, C

61. Waar worden vet oplosbare vitaminen opgeslagen?

a.  in het buikvet

b.  in de lever

62. Uit welk vitaminen bestaat het B – complex?

a. B1, B2, B3, B5, B6, B8, B11, B12

b. B1, B2, B3, B5, B6, B7, B8, B9, B11, B12

63. Welk vitamine(n) raadt je specifiek een vermoeide sporter aan?

a. B – vitaminen

b. vitamine A

64. Welke vitamine voorkomt spierafbraak?

a. vitamine D

b. vitamine E

65. Welke vitamine bevordert zuurstofopname in de spieren?

a. vitamine A

b. vitamine E

66. Welke B -vitamine is van belang voor de duursporter die veel koolhydraten eet?

a. B1

b. B5

67. Is zink een macromineraal?

a. ja

b. nee

68. In welke vorm worden mineraal supplementen het best opgenomen?

a. gebonden aan een aminozuur of zout

b. als oxide

69.Welke 2 mineralen zorgen voor aanspanning en ontspanning van spieren?

a. calcium en magnesium

b.  natrium en chloor

70. Welk mineraal is van groot belang voor krachtsporters?

a. ijzer

b. zink

71. Welk mineraal zou je vooral extra aanbevelen bij vrouwelijke sporters?

a. ijzer

b. kalium

72.Welke vitaminen en mineralen zijn onder meer noodzakelijk voor het vormen van hemoglobine en rode bloedlichaampjes?

a, ijzer, fosfor, vitamine B12, vitamine C

b. ijzer, koper, vitamine B11, vitamine B12, vitamine C

73. Hoge eiwitinname door vooral krachtsporters vereist de aanwezigheid van een specifieke B – vitamine voor omzetting. Welke?

a. vitamine B5

b. vitamine B6

74. Welk mineralen vinden we het meeste terug in zweet?

a.natrium en chloride

b.kalium en magnesium

75. Welke essentiële aminozuren zijn belangrijk voor de vetoxidatie?

a. fenylalanine en leucine

b. lysine en methionine

76. Welke vorm van aminozuren is het meest natuurlijk en het meest herkenbaar voor het lichaam?

a. L – vorm

b. D – vorm

77. Welke zijn de 4 “GOAT” aminozuren?

a. Glutamine, Ornithine, Arginine, Tryptofaan

b. Glutamine, Ornithine, Arginine, Tyrosine

78. Wat is waar?

a. Groeihormoon versterkt spieren én pezen

b. Testosteron versterkt spieren én pezen

79. Hoe kan een sporter natuurlijk zijn groeihormoon productie vergroten?

a. voldoende slapen

2. veel koolhydraten eten

80. Wat is de grondstof voor testosteron?

a.omega 3 vetzuren

b. cholesterol

81. Wat is de “moeder” van alle hormonen?

a.DHEA

b.insuline

82. Een overtrainde sporter merkt dat hij spiermassa verliest en meer buikvet ontwikkelt. Wat is hier verantwoordelijk voor?

a.adrenaline

b.cortisol

83.  Wat is het meest voorkomende aminozuur in het lichaam?

a.glutamine

b.asparaginezuur

84. Welk aminozuur werkt vaatverwijdend en zorgt voor “pump” in de spieren?

a..L – arginine

b. L – cysteine

85. Een sporter ervaart angst en een “down” stemming in aanloop naar een belangrijke wedstrijd. Met welk aminozuur zou je deze sporter kunnen helpen?

a. BCAA’s

b. L – tyrosine

86. Hoe kunnen aminozuur supplementen het beste gebruikt worden?

a.op de lege maag

b.na het eten

87. Is creatine een lichaamseigen stof?

a.ja

b.nee

88. Welke zijn de BCAA aminozuren?

a.valine, isoleucine en leucine

b.arginine, methionine en glycine

89. Hoe verminderen BCAA’S het gevoel van vermoeidheid?

a.verlagen serotonine in de hersenen

b. stimuleren adrenaline productie

90. Welke 3 aminozuren zijn de bouwstenen voor creatine in het lichaam?

a.arginine,tryptofaan,taurine

b.arginine,glycine,methionine

91. Welk aminozuur raadt je een sporter aan om af te vallen?

a.carnitine

b.glycine

92. Welke spierbrandstof wordt indirect aangevuld door creatine?

a.ATP

b.ADP

93. Van welk aminozuur wordt HMB gemaakt?

a. leucine

b.isoleucine

94. Welk supplement kan helpen de slaapkwaliteit te verbeteren en daarmee een beter herstel?

a.wei eiwit

b.ZMA

95. Welk adaptogeen zou je een gestresste sporter aan raden?

a.rhodiola

b.bijenpollen

96. Welke eiwitrijk superfood zou je een vegan bodybuilder aanraden?

a.spirulina

b.chlorella

97. Waarin wordt de hoeveelheid energie die een voedingsmiddel levert of een inspanning kost uitgedrukt?

a.in kcal

b.in pk

98.Welk superfood is geschikt bij bloedarmoede?

a.maca

b.bijenpollen

99. Welke supplementen vind je het meest geschikt voor een teamsporter?

a.BCAA,lecithine en L – taurine

b.Wei eiwitten, HMB en ZMA

100. Welk eiwit supplement is vooral geschikt om voor de nacht in te nemen?

a.caseïne                   

b. wei eiwit

101.Wat zou de beste verdeling zijn ( in procenten ) van koolhydraten, eiwitten en vetten in het dieet van een duursporter?

a.65% koolhydraten, 15% eiwitten, 20% vetten

b.75% koolhydraten, 10% eiwitten, 15% vetten

102. Wat is een mogelijk nadeel van een hoge eiwitinname?

a.teveel eiwit kan omgezet worden in glucose wat weer extra vetopslag kan veroorzaken

b. verlies van eetlust

103.Wat is zwaarder: vet of spierweefsel?

a.spierweefsel

b.vetweefsel

104.Wat is voor vrouwen die aan de top willen marathonlopen het beste vetpercentage?

a. 7 – 11%

b. 5-7 %

105. Wat is een risico van te snel afvallen bij sporters?

a. verlaagde weerstand

b. verlies van spierweefsel

106.Als sporters minder gaan trainen en hetzelfde blijven eten, wat gebeurt er dan in eerste instantie met hun gewicht?

a.  ze komen maar weinig aan

b.  ze komen razendsnel aan

107. Welke stof geeft het lichaam het signaal vet af te breken?

a. norepinefrine

b. insuline

108. Wat is een thermogenic?

a.cayenne

b.ginseng

109. Wat is een gevaar als een suikerpatiënt aan duursport doet?

a. een te hoog bloedsuikergehalte

b. een te laag bloedsuikergehalte

110. Welk macronutriënt is vooral  belangrijk voor sporters die herstellen van een blessure of ziekte?

a.eiwitten

b.vetten