Hoofdstuk 17 van 19
In uitvoering

Uitvoering massagetechnieken

Huidtechnieken

Je start met de huidtechnieken. Hiermee normaliseer je de huidspanning. Huidtechnieken voer je uit over de volle omvang van het te masseren gebied. Je werkt eerst eenzijdig van de zijkanten van het lichaam tot aan de wervelkolom. De grepen voer je segmentaal en in verloop van de zenuwbanen uit. In het lichaam bevinden zich 31 paar ruggenmergzenuwen. Ieder van hen beïnvloedt een bepaald segment van het lichaam. Door middel van huidtechnieken kun je voelen waar de eventuele ruwheid zit.

  • Zet de vingertoppen van één hand ontspannen aan op de huid aan de zijkant van het lichaam dat het verst van je af is. Dit is de plaats van inzet.
  • Strijk luchtig en ononderbroken met je vingertoppen vanaf de plaats van inzet tot de vervelkolom.
  • Werk hierbij hand over hand.
  • Voer de druk centraalwaarts ( naar het midden toe) uit.  De druk mag niet sterker zijn dan het gewicht van de hand. Dit betekend dat je je handen over het weefsel laat glijden en je niet op de huid duwt. Met deze greep wil je de huidspanning normaliseren, daarom werk je allen oppervlakkig op de huid.
  • Bij het terugkeren van e plaats van inzet houd je je handen dicht bij het weefsel. Behandel op deze manier het gehele gebied.
  • Voer de massage net zo lang uit tot je merkt dat de weerstand van de huid afneemt. De huid voelt dan glad aan.
  • Eindig de greep in een ontspannen  verbreking van het contact met het weefsel.

-> Houd je vingers ontspannen en iets gespreid. Zorg ervoor dat er geen scherpe hoeken in de buigingen van de gewrichten te zien zijn.

Overgangstechnieken

Overgangstechnieken zijn voorgrepen die je uitvoert ter voorbereiding op de onderhuidsbindweefseltechnieken. Hiermee maak je de huid losser. Daarnaast bereid je het weefsel voor op de pijnlijke bindweefselmassage. Je hoeft niet alle overgangstechnieken in je behandeling uit te voeren, maar je kunt een keuze maken uit verschillende grepen. Welke grepen je kiest is je eigen keuze.  Het kan zijn dat iemand erg reageert, dan kan er eventueel een fehlreactie ontstaan. Zodra je dat merkt dat de greep te stevig is ga je weer over op de huidtechnieken.

  • S-je
  • U-tje
  • Harmonicagriff
  • Plooi- en pluktechniek
  • Spintechniek

S-je

  • Plaats de handen iets versprongen naast elkaar op het midden van de onderrug. Je duim en vingers maken een hoek van ongeveer 90graden.
  • Oefen met de duimen druk uit op het bindweefsel. Dit doe je door je duimen naar elkaar toe te bewegen. Het bindweefsel schuift nu over de dieper gelegen laag.
  • Laat de druk na twee tot drie seconden geleidelijk los.
  • Verplaats nu je bovenste hand naar beneden. De onderste hand blijft liggen en de duim houdt een lichte druk.
  • Geef vervolgens tegen druk met je andere hand.
  • Behandel met wisselende druk het gehele gebied.
  • Werk van het midden naar de zijkant en van onder naar boven.

U-tje

  • Leg een hand op de huid in het midden van de onderrug. De duim en vingers maken een hoek van 45 graden, de vingers zijn gesloten. Deze hand is de passieve hand.
  • Plaats de andere hand iets lager op het weefsel. De lagere hand is de actieve hand. De duim van de actieve hand ligt tussen de duim en wijsvinger van de passieve hand.
  • Zorg dat beide handen ontspannen op het weefsel liggen.
  • Geef met de duim van de actieve hand druk in het weefsel, zodat een u-vorm ontstaat. Het bindweefsel schuift nu over de diepere gelegen lagen.
  • Laat de druk na 2 tot 3 seconden geleidelijk los. Werk langzaam en door steeds over te pakken naar beneden toe, waarbij de linker- en rechterhand afwisselend passief en actief zijn. Dit betekend dat je steeds met de andere duim druk geeft. Werk van midden naar de zijkant en van onder naar boven.

    -> U-TJE lijkt op een S-JE en mag dan ook gecombineerd worden toegepast.

Harmonicagriff

  • Leg beide handen evenwijdig aan elkaar op de huid. De duimen en de vingers maken een hoek van ongeveer 90 graden, de duimen van beide handen liggen dicht bij elkaar.
  • Duw vervolgens je handen naar elkaar toe. Het weefsel bolt nu op en er ontstaat een lichte doorbloeding ( de huid wordt rood).
  • Beweeg je handen vervolgens snel van elkaar vandaan naar de uitgangspositie. Er ontstaat rek op het weefsel, waardoor het weefsel ontspant.

-> Bij deze techniek gebruik je de volle vingerlengte en behandel je de volle omvang in het verloop van de segmenten.

Plooi- en pluktechniek

  • Zet de toppen van de duimen en vingers ontspannen op de huid. De vingers zijn iets gebogen.
  • Neem met alle vingers of met twee vingers het weefsel op. Dit noem je de pooifase.
  • Hef het weefsel vervolgens van de onderlaag. Pas op dat je het weefsel niet overrekt. Dit noem je de plukfase.
  • Laat het weefsel tussen de vingers wegglippen, totdat duim- en vingertoppen elkaar raken.

-> Pas op dat je het weefsel niet vasthoudt. Maar het tussen de vingers door laat glippen.

Je kunt je plooi- en pluktechniek op meerdere manieren uitvoeren:

  • Met de duim en alle vingers
  • Met twee vingers en duim
  • Met twee handen gelijktijdig

Spintechniek

  • Bij een spintechniek maak je een wrikkende beweging.
  • Zet je vingertoppen loodrecht op de huid.
  • Draai vervolgens naar buiten. Deze greep kun je met twee handen gelijktijdig of hand over hand uitvoeren.
  • Behandel beide helften van het gebied afzonderlijk.
  • De spintechniek is een intensieve greep die zorgt voor een goede doorbloeding.

Onderhuids bindweefseltechnieken

Na de overgangstechnieken ga je verder met de onderhuids bindweefseltechnieken. Dit zijn de rol- en duimtechnieken. Pas de onderhuidsbindweefseltechnieken toe tot de cliënt het weefsel als doof of dof ervaart.

Het doel van deze grepen is het lichaam overprikkelen, zodat het lichaam in de resetstand komt. Hiermee reduceer je de mate van stress, waardoor de aanmaak van cortisol afneemt. Hierdoor is er weer voldoende bouwstof voor de cellen en weefsels. Dit maakt het bindweefsel sterker.

Gewebswasche/ roltechniek

  • Leg je handen met aangesloten vingers op de huid, zodat de duimen oppositioneel aan elkaar staan en de wijsvingers, net als de duimen, elkaar raken.
  • Laat de duimen liggen en hef met gestrekte vingers het bindweefsel tot er een rol ontstaat.
  • Druk de rol vervolgens met de duimen naar beneden uit.
  • Wanneer je duimen je vingers raken, laat je je duimen staan en verplaats je je vingers naar beneden. Je handen staan nu weer in startpositie.

Maak vervolgens weer een rol en druk het weefsel uit naar beneden.

-> Ook deze greep herhaal je van mediaal (binnenzijde) naar lateraal (buitenzijde) over de volle omvang van het gebied.

Gewebswasche/duimtechniek

  • Zet je handen op de dezelfde wijze aan als bij de roltechniek. Dus met aangesloten vingers op de huid, zodat de duimen op oppositioneel aan elkaar staan en de wijsvingers, net als de duimen, elkaar raken.
  • Hef het weefsel op met de vingers en geef vervolgens tegen druk met de duimen.
  • Laat het weefsel daarna weer langzaam los.
  • Tijdens de greep blijven je handen contact houden met het lichaam van de client.

Diepere bindsweefseltechnieken

Na de onderhuidsbindweefseltechnieken ga je over op de diepere bindweefseltechnieken, ofwel de viervezeltechnieken. Dit zijn de haal- en de haaktechnieken. Met deze grepen zorg je er wederom voor dat het lichaam in resetstand komt.

Haaltechniek

Onder de haaltechnieken vallen de bekkengang en de borstgang.
De bekkengang loopt langs het bekken.

  • Pak met twee handen het lichaam vast ter hoogte van het bekken.
  • Plaats de middelvinger op de wijsvinger van je ene hand achter het bekkenrand en trek deze vervolgens met constante druk diep langs de bekkenrand. Met de andere hand houd je de huid strak.
  • Herhaal deze techniek maximaal 3 keer

Bij de borstgang ga je onder de ribben langs de wervelkolom:

  • Geef constante druk. Deze techniek moet een snijdend gevoel geven, alsof je met je nagels in het weefsel krast. Let op, dit moet natuurlijk niet echt.
  • Haal tot slot de vingers ontspannen van de huid af.

-> De bekkengang en de bostgang kun je goed toepassen als ontstoringstechniek bij een fehl-reactie.

Haaktechniek of periosttechniek

De haaktechniek of periosttechniek is de tweede diepere bindweefseltechniek die het meest wordt toegepast in een therapeutische bindweefselmassage. In de cosmetische bindweefselmassage kan deze techniek toegepast worden waar het nodig is.

Houd met je duim van je ene hand de huid tegen en trek met je middelvinger van je andere hand het weefsel strak. Daarna geef je een klein rukje of haakje erachteraan.