Bezig met cursustraject
Les 1 van 0
Bezig met cursustraject

7. Eten en drinken

Ons lichaam is te vergelijken met een motor. Het levert arbeid en heeft
daarvoor energie nodig. De energieproductie in het lichaam vindt plaats door de verbranding van drie soorten stoffen: koolhydraten, vetten en eiwitten. In principe kan het lichaam uit alle drie stoffen energie halen, maar koolhydraten hebben de voorkeur omdat bij koolhydraten het zuurstofverbruik per geproduceerde energie eenheid kleiner is dan bij vetten en eiwitten. Aan de andere kant bevatten vetten per gram 9,3 kcal, terwijl dat getal voor koolhydraten en eiwitten 4,1 kcal bedraagt.
Eiwitten, vetten en koolhydraten voorzien in de behoefte van het lichaam aan voedingsstoffen, Ben zekere hoeveelheid van deze stoffen ligt ook opgeslagen
in het lichaam, zodat ze te allen tijde beschikbaar zijn voor verbranding. Als er
geen aanvoer is, moeten we deze voorraad aanspreken met als gevolg dat we
afslanken, De hoeveelheid aangevoerde voedingsstoffen moet dus in evenwicht
aijn met het verlies door energieproduktie. Als de aanvoer van voedingsstoffen
groter is dan het energieverbruik, wordt het overschot vooral in de vorm Van
vet opgeslagen en wordt men dikker.
Voedsel
Het voedsel dat we eten behoort de juiste hoeveelheid vetten, koolhydraten en
eiwitten te bevatten, Bovendien moeten er voldoende vitaminen, mineralen en
vocht inzitten. Van al deze verschillende voedingsstoffen rekenen we enkele tot
e essentiele (noodzakelijke), zoals bepaalde eiwitten (aminozuren) en water,
maar ook vitaminen, mineralen en een bepaald vetzuur.
Een deel van de voedingsstoffen gaat verloren via ontlasting en in zekere mate
via huid en urine.
Koolhydraten
De koolhydraten in ons voedsel bestaan vooral uit gewone suiker (sac-
charose), zetmeel, melksuiker (lactose), druivesuiker (glucose), vruchten-
suiker (fructose) en de onverteerbare cellulose.
Bij de verteringsprocessen die al in de mond beginnen, worden de
koolhydraten afgebroken tot enkelvoudige suikers met zes koolstofatomen
(hexosen), waarvan de voornaamste zijn glucose, galactose en fructose.
Deze worden geabsobeerd door de dunne darm en via het bloed getrans-
porteerd naar de rest van het lichaam, vooral naar de lever en de spieren
waar het wordt opgeslagen in de vorm van glycogeen. Een zekere hoe-
veelheid suiker (glucose) bevindt zich altijd in het bloed. Het bloed-
suikergehalte wordt uiterst nauwkeurig gereguleerd met behulp van
verschillende hormonen, vooral insuline en glucagon. Als het bloedsui-
kergehalte te hoog wordt, wordt via de nieren met de urine glucose
uitgescheiden, Het menselijk lichaam bevat per kilo spierweefsel normaal
10-15 gram koolhydraten. De totale hoeveelheid koolhydraten in het
lichaam, vooral in de de spieren en lever, kan 400-500 gram bedragen;
dat komt overeen met een hoeveelheid energie van 6600-8300 kJ (1500-
2000 kcal). De koolhydraten voorraad is dus maar beperkt. Bij grote
lichamelijke inspanningen, dat wil zeggen als meer dan 75% van het
maximale vermogen tot zuurstofopname wordt benut, is de aanwezige
koolhydratenvoorraad in circa zestig minuten verbruikt.